29 januari 2010
Door philiphuff
Bram Vermeulen
Iedereen heeft helden nodig. Ik heb er ook één.
Te weten: Bram Vermeulen.
Die, ja.
Bram Vermeulen heeft in een interview eens gezegd dat hij een talent had beroemd te worden. Hij was in zijn leven ten slotte al drie keer beroemd geworden: eerst als volleyballer, toen als helft van het duo Neerlands Hoop, en ten slotte als zanger.
Ook in mijn leven is Bram Vermeulen drie keer bekend geworden. Drie keer kwam hij mijn wereld binnengelopen, en drie keer zei hij iets dat mij wist te raken. Eerst als zanger, van onder andere ‘De Wedstrijd’, toen als schrijver van een reactie op het manifest Stop de uiverkoop van de beschaving (zie mijn blog van gisteren), en ten slotte als groot kunstenaar, zo eentje waarvan de gisteren overleden J.D. Salinger zei dat je wenste dat het een goede vriend van je was, die je kon opbellen wanneer je wilde (en die Salinger zelf voor veel mensen was).
De eerste keer dat Bram Vermeulen mijn leven binnenkwam, zat ik in een auto die over een Belgische snelweg reed, van Brussel naar Bergen. Het was de zomer na mijn eindexamen. Ik zat voorin. Naast mij, achter het stuur, zat mijn Belgische baas, Walter. Walter droeg een bruinen bril, een groenachtig pak en had een huis in het centrum van Leuven – achter de grote markt en in de schaduw van de kathedraal. Mijn baan die zomer was de oppervlakte van verschillende winkels in enkele grote Belgische binnensteden in kaart te brengen, zodat onze opdrachtgever (een projectontwikkelaar van grote winkelcentra) precies wist hoeveel vierkante meter hij buiten de stad moest neerzetten om de lokale middenstand kapot te concurreren.
Daar dacht ik echter niet aan. Ik dacht enkel aan mezelf: en ik moest en zou in de herfst een jaar weggaan uit Nederland. En dat kostte geld. Geld dat mijn baantje opbracht. Dus schatte ik vierkante meters en zette die schatting op papier.
Het Belgische landschap trok aan ons voorbij en Walter haalde maar weer eens auto in. Toen zette hij de cd-speler aan.
‘Wie is dit?’ vroeg ik hem, tijdens het eerste nummer, dat een beetje klonk als een lied van Tom Waits in zijn pianodagen. Het ging over een gescheiden man. En ook deze zanger trok alle woorden in zijn keel langs een stuk schuurpapier.
‘Allez, dit is Bram Vermeulen,’ zei Walter, met zijn typische Vlaamse tongval en rollende ‘r’. ‘Op cd dan, hè?’ Walter reikte naar voren, en haalde een cd-hoes uit het dashboard. Voltooid verleden tijd, heette die.
Op de voorkant van de cd waren vier lampen afgebeeld, met in de linkeronderhoek een glimlachend mannengezicht. De man leek enigszins op mijn vader; een groot hoofd, bebaard, met een vlassig, lang kapsel. Ook de stem die ik hoorde leek enigszins op die van mijn vader. Ik twijfelde even of ik er iets over moest zeggen. Maar Walter was mij voor:
‘Kent u hem echt niet?’ vroeg hij.
Ik schudde met mijn hoofd.
‘Hier in Vlaanderen is hij anders heel bekant.’
Ik keek Walter verontschuldigend aan. Toen keek ik weer naar de omslag. Bram had een mooie glimlach. En een goede stem.
‘Hij was de andere helft van Neerlands Hoop,’ zei Walter. ‘In de jaren zestig en zeventig. Met Freek de Jonge.’
Ik vertrok mijn gezicht. Freek de Jonge. Hét voorbeeld van een generatiekloof. Op handen gedragen door de generatie van mijn ouders, maar door mijn generatie op niet op één goede grap te betrappen. En zo betweterig ook, met dat dunne wijsvingertje van hem.
Ik maakte een korte beweging met mijn hoofd.
‘Maar wel een mooi liedje wel dit,’ zei ik.
Ik zei liedjes toen, zoals ik nog steeds over liedjes spreek, hoewel ik inmiddels weet dat Bram Vermeulen liever over liederen sprak.
Toen begon het tweede nummer van de cd. Enkele eenzame blazers speelden een mooie, lome melodielijn.
‘Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde,’ zong Bram daarma. ‘Het water gaat er anders dan voorheen.’
Ik herkende die zin, en de daaropvolgende zinnen ook. Maar waarvan? Ik dacht na. Op mijn diploma-uitreiking eerder die zomer had de mentor van een parallelklas dit gedicht voorgedragen voor zijn leerlingen. Dat was het. Ik luisterde aandachtig naar de rest van de woorden. Dit keer wel. Het viel me nu pas op wat voor een mooie tekst het was. Zeker met die vreemde, wat onrustige muziek er onder.
Ik keek Walter aan.
‘Ook mooi,’ zei ik. ‘Wat vind je zijn mooiste liedje?’
Walter draaide de cd enkele nummers verder. Vrolijke, snel gespeelde pianonoten vulden de auto. Na enkele seconden werden zij bijgevallen door de tikken van een drummer op de rand van zijn snaredrum.
‘Een Wedstrijd,’ zo heette het liedje dat Walter opzette. In vier coupletten, een simpele brug en een ijzersterk refrein zette Bram Vermeulen neer wat het betekende om een zoon te zijn. Wat het betekende om een jongen te zijn, en een vader te hebben. Ik zat zelf in een vreemde tijd toen; met mijn vader had ik al een tijdje geen contact meer. Ik onderhield een moeilijke relatie met hem. Maar waarom?
‘Het is een wedstrijd,’ zong Bram toen. ‘die niemand winnen kan.
Het is een wedstrijd, het is een wedstrijd,
‘En het gaat maar tegen één man.’
Ik keek uit het raam van de auto, weg van Walter.
‘Pappa kijk dan,’ zong Bram.
‘Pappa kijk dan,
‘Naar mij.’
Maar Bram zong dit niet verdrietig of kwaad. Bram zong het hunkerend, onbegrepen.
Hoewel hij dondersgoed begreep waarover hij over zong, vergis u niet. Want als pappa in zijn liedje eindelijk kijkt, is alles al voorbij.
En zo is het vaak maar net.

Er zijn nog geen reacties
Je kunt de eerste zijn.
Laat een reactie achter
Je moet ingelogd zijn om te reageren.